Foto: Peter Nieuwenhuijsen

Princessehof Toegankelijk voor publiek

Het Princessehof, getransformeerd van stadsstins - Liauckamastins - tot paleis en nu tot nationaal keramiekmuseum.

Het huis

Het Princessehof dankt zijn naam aan prinses Maria Louise van Hessen Kassel, weduwe van de jong gestorven stadhouder Johan Willem Friso. Zij betrok dit gebouw in 1731, nadat zij het stadhouderlijk hof had verlaten, waar haar zoon zich had gevestigd. De prinses kocht daarom de oude, L-vormige, adellijke woning -de stins, ook Camminghahuis- en het daaraan grenzende gebouw met een brede gevel achter een voorplein.

De 15de eeuwse stins, voorzien van een toren met een ui-vormige koepel, bezit een unieke spiltrap, een kelder en verschillende zalen. In 1584 betrok stadhouder Willem Lodewijk het pand. Het aangrenzende rechthoekige gebouw met een pilastergevel en een rijke ornamentiek van guirlandes, engelenkopjes en duivenkapitelen, moet omstreeks 1660 opgetrokken zijn. Na de aankoop liet Maria Louise het complex verbouwen door de hofarchitect Anthony Coulon, een leerling van Daniël Marot. Hij voegde aan de brede gevel een mezzanine of halve verdieping toe en creëerde een nieuwe hoofdingang onder in de stinstoren. Coulons grootste ingreep was de toevoeging van het pand aan de westzijde in 1742. Zo ontstond een stadspaleis naar Frans voorbeeld, waarbij het hoofdgebouw en de twee vleugels een voorplein insloten. Het gebouw bevatte veel voorname vertrekken waarvan één, de eetkamer, met goudleer en gestuct plafond, nog steeds als stijlkamer te bezichtigen is.

In het gebouw is sinds 1916 het Keramiekmuseum Princessehof gevestigd, nadat overigens in 1898 Maurits Escher hier geboren was. Het interieur heeft later een een metamorfose ondergaan onder leiding van de bekende vormgever Wim Crouwel en de architect Marten Atsma.

De tuin

Direct achter het stadspaleis is een tuin waarin het museum enkele keramische objecten heeft geplaatst, onder meer afkomstig uit een van de staten te Beetsterzwaag. Aan de andere kant van de Groeneweg, echter, bevindt zich de Prinsentuin, die ten tijde van prinses Maria Louise deel uitmaakte van het prinselijk bezit. De tuin dateert uit 1648 en werd aangelegd onder stadhouder Willem Frederik. Dit verklaart de naam Prinsentuin, terwijl het Princessehof, dat ook al een ouder gebouw is, naar prinses Maria Louise wordt genoemd.

De 15de eeuwse stins, voorzien van een toren met een ui-vormige koepel, bezit een unieke spiltrap, een kelder en verschillende zalen. In 1584 betrok stadhouder Willem Lodewijk het pand. Het aangrenzende rechthoekige gebouw met een pilastergevel en een rijke ornamentiek van guirlandes, engelenkopjes en duivenkapitelen, moet omstreeks 1660 opgetrokken zijn.

Het Princessehof werd van 1731-1765 bewoond door stadhoudersweduwe Maria Louise van Hessen Kassel. Maria Louise liet het complex verbouwen door de hofarchitect Anthony Coulon, een leerling van Daniël Marot. Hij voegde aan de brede gevel een mezzanine of halve verdieping toe en creëerde een nieuwe hoofdingang onder in de stinstoren. Coulons grootste ingreep was de toevoeging van het pand aan de westzijde in 1742. Zo ontstond een stadspaleis naar Frans voorbeeld, waarbij het hoofdgebouw en de twee vleugels een voorplein insloten. Het paleis bestond toen uit een U-vormig complex van drie panden, die hofarchitect Anthony Coulon tot één paleis verbouwd had. De 16e eeuwse Liauckamastins met de hoektoren vormt de rechtervleugel.

Uit de paleistijd resteert nog een barokke eetkamer met goudleerbehang en een plafond van sierpleister.In latere tijd werden de panden apart bewoond, dikwijls door beroemde personen, onder wie de graficus M.C. Escher, die in 1898 in het middelste huis geboren is. De gemeente Leeuwarden kocht het complex als onderkomen voor de collectie oosters aardewerk van Nanne Ottema. Hieruit is in 1970 het keramiekmuseum Het Princessehof ontstaan.


Afbeeldingen