Foto: R. Terpstra

Groot Deersum Niet toegankelijk voor publiek

De oudste gegevens over de boerderij op deze plaats, eigendom van het klooster Ludingakerk bij Lidlum, dateren uit 1408.

De naam Groot Deersum wordt voor het eerst in 1644 vermeld. Toen kocht Michiel Jacobs een zathe met bijbehorende weilanden. Hij liet als toegang tot het omgracht terrein het nog aanwezige poortgebouw plaatsen. Aan hem herinnert de gedenksteen met het jaartal van de bouw, 1658. Uit het opschrift blijkt dat Michiel zich naar de aanwezige zathe Deersum noemde.

Het gebouw met getoogde doorgang is van gele baksteen opgetrokken en voorzien van trapgevels waarin zich duivengaten bevinden. In 1731 verkocht de dochter van de rijke koopman Romke Clases Braam uit Harlingen het bezit dat uit “een schoone huijsinge, gragte, boerewooninge en schuijre, steenen poort en schoone hovinge” bestond. Uit de koopakte blijkt dat er een state of voornaam huis stond.

Het is door de tekenaar Jacob Stellingwerf in 1722 op een afbeelding vereeuwigd. Het gebouw bestond uit een rechthoekig voorhuis met een tuitgevel onder een zadeldak en een haaks hierop staand hoog huis van enkele bouwlagen. Achteraan stond een schuur. De “hovinge” wordt al in 1727 als deftig aangeduid, vanwege de exquise aanplant met perzikbomen en druivenstokken.

In 1784 werd de state afgebroken en het hof aan de boer verpacht. De boerderij is op het kadastraal minuutplan van 1832 weergegeven. De huidige boerderij op het omgracht terrein bezit nog het 18e-eeuwse voorhuis. De eigenaar is de Van Panhuys-stichting. De laatste restauratie van de poort vond in 2000 plaats, waaraan een gedenksteen herinnert.